Categorie archieven: Korte Verhalen

EINDSPEL

Eindspel Ik sta volledig vast. In een hoek gezet, kan ik geen kant op. Voor mij staan een paar mannen die mijn weg blokkeren. Ze lijken ergens op te wachten, maar waarop is mij een raadsel. Mijn buurman oogt ook niet al te blij. Briesend wacht hij op zijn kans om ervandoor te gaan. Gewoonlijk kan ik dit soort situaties goed verdragen, maar het wachten lijkt wel eindeloos.

Dan, iets verderop, neem ik enkele bewegingen waar. Kleine verschuivingen, nauwelijks merkbaar. Er ontstaan openingen. Ruimte. Ik span mijn spieren. Maar precies op het moment dat ik naar voren wil gaan, dringt iemand zich tussen ons in. Een rilling van frustratie gaat door me heen. Dit laat ik me niet gebeuren. Ik wil een stap naar voren maken, maar in een flits is de indringer alweer verdwenen.

Opeens ligt de weg voor mij open. Aan de overzijde zie ik haar staan: mijn partner in crime, onverstoorbaar, elegant. Zonder enige aarzeling begin ik aan mijn overtocht. De zwart-witte blokken wisselen zich in hoog tempo onder mij af, alsof de grond me voortstuwt. Naarmate ik dichterbij kom, zie ik hoe prachtig ze daar staat: rank, sierlijk, met een zelfvertrouwen dat me bevrijdt van het verstikkende oponthoud van zojuist.

Eindelijk zijn we weer samen. We draaien om elkaar heen, bijna dansend. Zij leidt, ik volg; dan neem ik het over. Zij laat zich soepel meevoeren. We zijn één ritme, één beweging. Even is de wereld van ons. Onze kracht zwelt aan. Samen durven we alles. In ons enthousiasme maaien we alles en iedereen op ons pad omver. Een spoor van verslagenheid achterlatend.

Opeens zien we hem in de verte, een statige oude man die ver boven alles uittorent. Zijn trage stappen staan in schril contrast met onze vaart. Zijn aanblik oogt grauw, alsof het gewicht van de tijd op zijn schouders rust. We eindigen onze dans en naderen hem voorzichtig met eerbied en met respect.

Wanneer we vlak voor hem tot stilstand komen, kijkt hij ons indringend aan. Zijn ogen vragen: Wie denken jullie wel dat jullie zijn?  Ik voel haar dodelijke blik. Dan stapt zij beheerst naar voren.

De oude man zakt ineen. Een laatste zucht, een laatste beweging.

Twee handen verschijnen boven ons. Een ferme handdruk. 

De meester heeft gewonnen.

RAMPENBRUILOFT

Inzending schrijfwedstrijd CASCADE voor boekenweek 2024

Je bent jong en je denkt het allemaal wel te weten. In een poging jezelf een houding te geven zie je opeens die ene kans. Een moment om te excelleren en de ander voor heel even af te troeven met je kennis. Schijn bedriegt en niets is echter minder waar. Het is een valkuil die maar al te vaak leidt tot het schaamrood op de kaken.

 Mijn huidige vrouw ontmoette ik zo’n vijfentwintig jaar geleden. Een Spaanse schone die door mijn vrienden werd gezien als iets wat ver buiten mijn klasse lag. De taal vormde wel de minste barrière. Spraken we in het begin alleen Engels, na wat maanden beheerste ik ook een paar simpele Spaanse zinnetjes. Onder andere daardoor ging ik vol vertrouwen voor het eerst naar mijn schoonfamilie. Met daaraan gekoppeld een bruiloft van een neef van haar in een middeleeuws dorpje zo’n honderd kilometer buiten Madrid.

In alle aspecten was de bruiloft een oogopener. Balletjes van opgerold brood vlogen als kogels heen en weer tussen de tafels. Alsof er een familievete moest worden uitgevochten. Om maar niet te spreken van het gejoel en geschreeuw om het gelukkige paar aan te sporen tot een kus. Traditie? Wellicht.

Aan tafel schuin tegenover mij had een nichtje plaatsgenomen. Met handgebaren en wat simpele woordjes ging het vooral over koetjes en kalfjes. Tijdens dat geklungel uitte zij haar wens om in de toekomst een huis in Madrid te bezitten. Dit was een uitgelezen kans om mijn Spaanse kennis in de praktijk te brengen. Deze woorden kende ik. Mijn gedachten vormde de zin: ik wil dat ook. Uit mijn mond kwamen echter de woorden te quiero. Twee pikzwarte ogen keken mij verontwaardigd aan en ik realiseerde mij mijn blunder. Ik had haar zojuist letterlijk verteld ik wil je. Verbeteren hielp niet. We spraken niet meer die avond.

Tijdens het diner werd er kip uitgeserveerd of wel pollo in het Spaans geheten. Uit mijn lessen had ik een regeltje geleerd dat de meeste zelfstandige naamwoorden die op een -o eindigen, over het algemeen mannelijk zijn. Woorden die eindigen op -a vertegenwoordigen de vrouwelijke. In mijn ogen was dit kip en geen haan. Opnieuw rook ik mijn kans.
‘Ah, polla!’
Het viel stil aan tafel. Ik had zojuist vol enthousiasme het mannelijk geslachtsdeel in schuttingtaal geroepen.

Twee missers op een avond. Kon het nog erger? De dansvloer maakte veel goed. Ingrediënten als blond, lang en buitenlander waren gewild. In een korte pauze sprak mijn aanstaande schoonvader ons aan. Ik luisterde aandachtig en ik was ervan overtuigd dat ik hem goed begrepen had. Mijn lief echter, trok wit weg en riep vol verbazing: ‘Papa?’
‘Wat is er? Als je vader een mentos wil is dat toch niet zo erg?’ De derde stilte.
‘Hij wil kleinkinderen, nietos!’
Driemaal was genoeg. Geen woord Spaans meer. Ik excelleerde zeker die avond. Ik moet wel haast een onuitwisbare indruk op de familie hebben achtergelaten. Maar niet zoals ik het mij had voorgenomen.

KONING RAOUL

KONING RAOUL

Net terug van de bank voelde ik mij steenrijk. Mijn zuurverdiende vakantiewerkgeld was omgezet in tienduizenden peseta’s. Ik was klaar om te gaan. Samen met een paar maten en een bus vol andere vertierzoekers. We zouden wel even de boel aan de Costa onveilig gaan maken. Mijn ouders vonden het maar niks. Ik kon niet wachten.

‘Als er iets is wat ik goed kan, dan is het wel dansen.’
Vol ongeloof keek de brunette me aan. Haar pikdonkere ogen analyseerde me van top tot teen. Uit haar houding sprak grote twijfel. Hoe was het mogelijk dat dit lichaam kwaliteiten bezat waarnaar gerefereerd werd?

Ze haalde haar schouders eens op. Mijn extra knipoog had de twijfel niet weggenomen. Er was blijkbaar meer voor nodig. Die hint had ik echter niet begrepen. Ze wachtte niet langer. Langzaam zag ik haar oplossen in de verblindende discolichten. Natuurlijk moesten mijn maten lachen. Maar ondanks hun grote woorden was ik tot nu toe wel de enige die een buitenlands meisje had aangesproken. Ter compensatie kreeg een aantal shots voorgezet. Zo zou ik over mijn blauwtje heen komen. Ook dat lukte niet.

De dagen waren kort. De nachten des te langer. Tegen zonsopkomst zagen we pas onze kamers weer. Het normale werd abnormaal. Het abnormale soms gewoon. We voelden ons machtig. Sterk en onverzettelijk. De wereld was even van ons. Ik voelde me als een koning. 

Die zaterdag moest het hoogtepunt worden van onze reis. De resterende peseta’s brandden in onze broekzakken. Het was nu of nooit. Over minder dan tien uur zouden we alweer in de bus zitten. Terug naar het routinematige leven.
Langs de lokale strip dreunden de bastonen ons tegemoet uit de vele disco’s. We konden niet kiezen. Het werd uiteindelijk tent nummer vier.

De hele week kreeg ik die ogen maar niet uit mijn hoofd. Nooit eerder had zoiets eerder meegemaakt. Ze bleven maar terugkomen. Zelfs toen alles rondvloog in mijn kamer zag ik die indringende pikzwarte kijkers. Ze dansten vrolijk mee op alles wat maar bewoog.
Reikhalzend zocht ik in elke kroeg naar die kijkers die me maar bleven achtervolgen. Tevergeefs. Ik had de moed al bijna opgegeven. Totdat een van mijn vrienden naar de dansvloer wees. Het zat eindelijk een keer mee.

‘Hi, jij weer?’ zei ze nadat ik haar op de schouder had getikt. ‘Nog steeds op zoek naar een dans?’
Ik moet hebben geknikt.
‘Hoe heet je eigenlijk?’
‘Raoul!’
‘OK, wacht maar even Raoul. Dan kun je laten zien of je de Travolta van de lage landen bent.’
Weg was ze weer. Dit keer niet voor lang. Op haar weg terug duwde ze iedereen om mij heen opzij. De eerste dreunen van Tears for Fears klonken uit de speakers.
‘Laat maar zien…Raoul’ riep ze luid en stapte achteruit.
De Bacardi-Cola’s hadden inmiddels mijn helderheid sterk gereduceerd. Ik hoorde mijn naam uit de speakers schallen. De zanger zong mijn naam. Gevolgd door and the Kings of Spain.

Alle ogen waren nu op mij gericht. Ik zag maar één uitweg. Druk begon ik mijn armen in het rond te zwaaien. Mijn benen voelde of zij elke dansstijl aankonden. Opnieuw gonsde mijn naam door de disco. Vele kelen galmden inmiddels het refrein mee. Er was handgeklap en in mijn hoofd hoorde ik castagnetten. Gejoel.
Als een volleerd flamenco danser bewoog ik mij over de dansvloer. Althans dat dacht ik. In werkelijkheid zagen ze een houten klaas die een stel aritmische bewegingen aan elkaar probeerde te plakken. Ik nam het lied over en op het refrein zong ik: I’m the King of Spain.

Het nummer was voorbij. Hijgend stortte ik neer op de vloer. Het publiek was uitzinnig. Nog nooit had ik mezelf zo voor schut gezet.
Daar waren die ogen weer. Maar nu heel dichtbij. Haar gezicht was mij tot op tien centimeter genaderd. Haar lippen raakten de mijne. Een golf van vuur schoot door mijn lichaam.

Vrijdagavond, de werkweek zit erop. Bij binnenkomst ruikt het als toen. De geuren van een Spaanse keuken vullen de kamer. Spotify speelt op de achtergrond een nummer wat ik nooit meer vergeet.
‘Raoul…Raoul’ hoor ik zachtjes vanuit de keuken op de maat van de muziek. Ik geef mijn vrouw een kus. You’re my King of Spain zingt ze dan en kijkt me lief aan. Die ogen. Nog altijd even betoverend. 

ZES

Voor hem spatten de vonken recht op hem af. Alsof iemand met een slijptol gaten in de weg probeert te maken. Met een kleine driehonderd kilometer per uur is de auto voor hem sneller. Het gaatje wordt langzaam groter. Omdat het monster met de rode stieren al goed reageert met de zachte banden, kiest hij voor de aanval. Links in de hairpin ziet hij ruimte. Trekkend aan het ovale stuurtje schiet hij de bocht in. Van buiten naar binnen, laat remmen en dan het gas erop. De woorden van zijn vader schieten door zijn gedachte als hij de neus van zijn tegenstander voorbijschiet. Voor een tel is hij de leider in de wedstrijd. Totdat hij zijn grootste concurrent de baan ziet opvliegen met opeens meer dan anderhalve seconde voorsprong. ‘Hij moet ‘m teruggeven’ tettert hij gelijk in de boardradio. Tevergeefs. De wedstrijdleiding meent dat juist hij de andere auto naar buiten geeft geduwd. Ongeloof maar vooral onrecht borrelt op in het karakter van deze vechter. Dit kon wel eens het einde zijn van zijn droom. Een droom die dit jaar al zo vaak aan hem verscheen. Hoog op het ereschavot met zijn glimmende bokaal die hij bijna lanceert aan het einde van zijn Wilhelmus.

De afstand tot zijn voorligger groeit alleen maar en de moed zinkt hem in de schoenen. Het oortje vertelt hem dat hij moet “boxen” voor vers rubber. Terug op de baan pakt hij wat luttele tienden van seconden. Even lijkt het dat het toch nog gaat lukken. Een ronde later meldt ook de concurrent zich voor de hardste compound. Nooit opgeven jongen. De prijzen worden pas verdeeld na de streep.

Vanaf zijn vierde ademt hij motorsport. Zes maanden later heeft hij zijn eerste kart. Talent valt op en al snel sjouwt hij met zijn vader alle races in Europa af. En met succes. Geef nooit op wordt er ingeramd en werkt als levenselixer. Het maakt hem steeds beter.

Dit jaar moet het talent worden verzilverd. Jaren heeft men gebouwd aan een perfect team om in dit laatste seizoen de aanval te openen op de hegemonie van de concurrent. De aanval is geopend. Met de meeste Grand Prix overwinningen dit seizoen is er een licht voordeel. De druk ligt bij de ander. Op dit zes miljard kostende circuit tussen een IKEA  en een Hilton hotel in. De stand is gelijk en de laatste driehonderd zes kilometer zijn beslissend.

Ongelukkig schiet de achterkant van de Williams weg waardoor de controle over de auto wordt verloren. Een starre muur brengt het voertuig tot stilstand. Safety Car. De ronkende monsters komen een voor een naar de pits voor vers rubber. Op één na. Die krijgt een duidelijk negative in zijn oor gepropt. Het veld schuift langzaam in elkaar. De spanning is opeens helemaal terug. Hartslagen lopen op tot boven de honderdzestig. Gelapte auto’s tussen de twee kemphanen mogen er niet tussen uit. Dan opeens weer wel. Paniek overheerst. Nog zes kilometer tot het kampioenschap. Alles wat zijn lichaam aan adrenaline produceert, komt in een keer vrij.

De beide strijkijzers liggen naast elkaar. Gas erop, remmen, schakelen misschien, weer gas en remmen tegelijk. Hij mag niet voor zijn tegenstander komen. Zijn vingers liggen gespannen op de peddels om direct te kunnen schakelen. Nog negentien bochten naar de verlossende streep. De wagen naast hem versnelt. Met alles wat hij heeft trapt hij het gas in en schakelt op als nooit tevoren. Met nog zestien bochten en vijf kilometer te gaan kijkt hij wederom tegen de achterkant van zijn concurrent aan. Het gat wordt niet groter.

Dankzij de nieuwe banden is zijn tractie optimaal. In een flits perst hij zijn batterij leeg voor extra vermogen. Laat remmen schreeuwt het in zijn hoofd. Het kan. Met het verse rubber is de grip zoveel beter dan bij de tegenpartij. Talent, durf en gepassioneerde agressie komen samen. Met dit alles ramt hij zijn bolide links naast zijn voorganger. Miljoenen fans zien hem de leiding nemen. Zigzaggend, om zo weinig voordeel te gunnen aan de auto achter hem, raast hij over het lange rechte eind. Pijn! Uitdroging en hitte verkrampen zijn spieren. Met verbeten gezicht wordt een eerste aanval afgeslagen.

Een laatste S-bocht. Gedreven gaat hij misschien te wijd. Een tweede aanval. Beide liggen nu met de neuzen naast elkaar. Wie nu te vroeg remt heeft verloren. Dit is racen in optima forma. Gokkend op zijn grip en vertrouwend op zijn kunnen, remt hij een fractie later en duikt hij de bocht in. Zijn tegenstander moet buiten om en weet op dat dat hij geen kans meer maakt. De auto met de stieren spuit weg. Even mag hij remmen wat de kramp iets verzacht. Het lijkt of de tegenstander zich neerlegt bij zijn suprematie. Beklag over manipulatie in de radio is de erkenning van zijn verlies. Hij is gezien, het is over. Met een laatste gecontroleerde drift wordt de auto richting geblokte vlag. Uitbundig geschreeuw overstemt het losbarstende vuurwerk. Zes keer een “yes” laat de radio bijna exploderen. Een droom is waarheid geworden. Een heel seizoen in slechts zes kilometer. Een kampioenschap in anderhalve minuut. Een wereldkampioen puur sang.

LYCRAMAN

Inzending zomerschrijfwedstrijd Het korte Verhaal Augustus 2020

De wind stond vol in het gezicht. Met een uiterste krachtsinspanning ramde hij op de pedalen en vocht zich zo een weg door de aanwakkerende storm. Hij had zich voorgenomen om te rijden tot je scheelziet. Of zoals hij zich de woorden van Knetemann herinnerde: Gaan met het hol open.

Het weer zou omslaan. De verzengende hitte zou plaats gaan maken voor wat koeler weer. Dat wist hij van tevoren. Maar dat het met zoveel wind gepaard zou gaan, was een vieze tegenvaller. Hij had een maatje nodig om een volledige uitputting te voorkomen. Opnieuw dook hij diep in de beugels. Ver voorover om maar zo weinig mogelijk wind te pakken. Zijn gezette buik vond een rustplaats op zijn gebogen stang. Ze roepen wel eens het snot voor je ogen rijden. Wel bij hem liep het met stralen uit zijn neus. Met een handig gebaar en een krachtige push, werd het linker kanaal geschoond om hetzelfde ritueel te herhalen voor de rechterkant.

‘Bedankt’ hoorde hij schuin achter zich. Een wieltjeszuiger haalde hem langzaam in. Hij wilde eerst nog wat terugroepen maar besefte dat dit zijn redding was. Het waren er meer. Binnen de kortste keren zat hij in een zetel achter wel zeker een man of tien. Het tempo lag hoog maar de zuigende werking van het kleine peloton voor hem, was voldoende om aan te kunnen pikken. Langzaam hervond hij zijn adem en tufte het overtollige slijm de berm in.

Als een stel losgeslagen stieren bestormden ze de fietspaden waarbij ze lustig hun aerosol deeltjes doorgaven aan hen die erachter zaten. De prijs van uit te wind rijden is soms hoog. Bij elk naderend stoplicht werd er gejoeld en geschreeuwd om maar niet te hoeven inzakken op het tempo. Lycra maakt je onoverwinnelijk. Als een sliert kleurrijke gevulde condooms bevechten zij zich een plek op de openbare weg. Lycra is oppermachtig. Hij voelde zich heer en meester. Ook toen hij bijna een vrouw van in de tachtig bijna van haar sokken reed. En ondanks een scheldkanonnade van haar kleinzoon, trof hij geen blaam. Lycra is namelijk onaantastbaar en geeft je recht op alles.

De groep draaide het dorp uit. Dit keer stond de wind op de kant en als een stel professionals vormde zich een waaier. Het ging al snel niet goed. Hij miste het laatste wiel en vormde zo zijn eigen mongolenwaaier. Hij had de slag gemist. Snel verdween de groep voor hem. Zijn dijen deden pijn en een lichter verzet was onvermijdelijk. Stoempen had geen zin meer. De pijp was leeg.

Vermoeid stapte hij af en plaatste zijn ros in de daarvoor speciaal ontworpen stalling. Nog een flinke teug uit zijn bidon en de rit zat erop. Ontdaan van zijn Lycrapak sloeg hij de striemen op zijn rode huid gade. Lycra kleed je af. Het pak ging in de was. Het zat vol met slijmspatten die niet van hem waren. Morgen maar even een testje doen.    

Deze vertelling is bekroond als weekwinaar in de schrijfwedstrijd
Het Korte Verhaal   
https://kortverhaal.info/?p=3924

MEISJES IN BLUSSURETIJD

Inzending schrijfwedstrijd April 2020

Ik weet het nog goed. Die eerste en enige voetbalwedstrijd die ik ooit speelde. Ik zat nog op de middelbare school en deed wat vakantiewerk in de plaatselijke buurtsuper. Daar leerde ik Els kennen. Een potige dame die dagelijks voor de verse groenten zorgde. Els was een sociaal bewogen mens met wat de dorpsbewoners wel een ‘brutale bek’ noemde. Toch was Els erg populair bij haar klantjes. Haar kennis en vooral haar helpende hand vielen goed bij de wat ouderen. Bovendien had ze de verste groenten van het dorp.

Aan het einde van de woensdag riep ze me even apart. Of ik weleens gevoetbald had. Vol verbazing keek ik haar aan. Nog voor ik nee kon schudden vertelde ze me van het vrouwenelftal dat meedeed aan de zomercompetitie bedrijfsvoetbal. Ik schudde nee maar het was tevergeefs. Overrompeld door haar woordenstroom was ik al snel opgesteld. Zaterdag om 19:00 melden op het sportcomplex was de opdracht.

Met lichte paniek vertelde ik thuis wat mij zojuist was overkomen. Vader lachte en mijn moeder deed of ze erg met mij meeleefde. Ik zag nog één escape. Ik had namelijk geen kicks. Maar vader had de oplossing. Nicht Elise had eens een blauwe maandag gevoetbald. Zij had vast haar kicks nog wel ergens. Elise en ik schelen drie maanden en hebben dezelfde bouw met dat verschil dat haar voeten één maat groter zijn. Vader vond dat geen probleem.

Klokslag zeven zag ik Els. Ze zei dat ik linksback zou spelen. Een goede plek voor een niet ervaren speelster. Ik heb het geweten. Ik snapte niets van buitenspel en rende naar voren als dat niet moest en omgekeerd. Mijn schoten dwaalden af en ik had zeker twintig panna’s tegen. Daarentegen scoorde ik wel. Weliswaar in eigen goal, maar toch. We verloren met zeven tegen een.

Na de wedstrijd stelde Els mij gerust. Of ik zin had om mee te gaan met de meisjes in blessuretijd. Ik schudde weer nee. Ik had namelijk geen idee waar ze het over had. Stomverbaasd keek ze me aan. Termen als ‘hole 19’ en ‘de derde helft’ werden naar mijn hoofd geslingerd. Maar het bleef blanco. Ook hier was geen weg terug. En ook dit heb ik geweten. Ziek en slingerend ging ik huiswaarts. Eenmaal thuis ging het mis. Op handen en knieën voorzag ik de douchebak van een nieuw patroon. Vader lachte niet meer. Het kon me niets schelen.